Doel van het spel: proberen zoveel mogelijk schelpjes, kiezelsteentjes, maïskorrels, assempitjes of sawopitjes in jouw spaarput te verkrijgen. Je spaarput is het wat grotere putje aan het eind van het dakonbord, aan je linker kant.
Om te winnen moet je dus de meeste schelpjes in je spaarput hebben (menang bidji = gewonnen met het groots aantal schelpjes) of indien je de laatste bent die geen schelpjes meer in de putjes aan jouw kant van het bord hebt. (menang jalan = onderweg gewonnen)
Het dakonbord kan 5, 6, 7 of 9 putjes aan elke kant van het bord hebben en aan elke einde één spaarput. Voor elk putje, met uitzondering van de spaarputten, heb je 5, 6, 7 of 9 schelpjes nodig. In het geval van 7 putjes, heb je dus in totaal 7 x 14 = 98 schelpjes nodig.
We gaan hier uit van een bord met aan elke kant 7 putjes!
Eerste ronde.
* Plaats in elke put aan jouw kant van het bord 7 schelpjes. Let op: niet in jouw spaarput!
* Bepaal wie er als eerste mag beginnen. (Er schijnt een variant te zijn, waarbij beide spelers eerst gelijktijdig beginnen, tot één van hen mati is, waarna het spel verder gaat als verder omschreven)
* De eerste speler pakt alle schelpjes uit een willekeurig putje aan zijn kant van het bord. Met de klok meedraaiend plaats je steeds één schelpje in de putjes volgend aan die waar je ze uit hebt gehaald, in een poging je eigen spaarput met een schelpje te bereiken. Plaats geen schelpje in de spaarput van je tegenstander!
* Indien het laatste putje waar je een schelpje in hebt geplaatst:
1 Schelpjes bevatten – pak al de schelpjes uit dit putje dan op en ga verder met het
met de klok mee plaatsen van schelpjes in de putjes
2 Leeg is – laat je schelpje in dat putje. Je bent mati (dood) en het is nu de beurt van je tegenstander.
3 Je spaarput is – heb je recht op een tweede beurt. Pak alle schelpjes uit een willekeurig putje aan jouw kant van het bord en plaats deze in jouw spaarput en ga verder met het met de klok mee plaatsen van schelpjes in de putjes als aan het begin van het spel
4 Leeg is + aan jouw kant van het bord bevindt + je op zijn minst één keer rond bent gegaan – Pak dit laatste schelpje en alle schelpjes uit het putje van je tegenstander, gelegen recht tegenover het putje waar je het laatste schelpje in had geplaatst en plaats deze allemaal in jouw spaarput. Het is nu de beurt van je tegenstander.
Een variant hierop, zoals gespeeld op Celebes: In plaats van de schelpjes van het putje van je tegenstander, plaats je dit schelpje in het putje, grenzend aan het lege putje. Dit kan alleen aan je eigen kant van het bord plaats vinden. Het schijnt dat op deze manier, het spel veel langer duurt!
Als je mati bent, begint je tegenstander op dezelfde wijze als boven omschreven.
Het spel eindigt als één van de spelers geen schelpjes meer in de putjes aan zijn kant van het bord heeft liggen.
Als je als eerste door je schelpjes heen bent (kalah jalan = onderweg verloren), heeft je tegenstander gewonnen (menang jalan = onderweg gewonnen)De winnaar van deze ronde mag in de tweede ronde als eerste beginnen.
Tweede ronde.
* Indien één van de spelers geen schelpjes meer over heeft, pakken beide spelers alle schelpjes uit hun spaarput en ook alle resterende schelpjes uit de putjes aan hun kant van het bord.
* Elke speler plaats nu weer 7 schelpjes in elk putje aan hun kant van het bord, beginnend bij het putje die het dichtst bij je eigen spaarput is gelegen. Indien een speler na het plaatsen van de 7 schelpjes in zijn putjes, schelpjes overhoudt, worden deze de “menang biji” (gewonnen schelpjes) terug geplaatst in zijn spaarput.
* Als de verliezer niet genoeg schelpjes heeft overgehouden om elk van de 7 putjes met 7 schelpjes te vullen, zal hij moeten “schipperen” (ngacang) en enkele putjes moeten vullen met minder schelpjes. Hij moet dan zoveel mogelijk putjes voorzien van 7 schelpjes en de dan resterende schelpjes over de andere putjes verdelen. De verdeel (ngacang) putjes zijn de putjes het dichts gelegen aan zijn spaarput. Het aantal verdeel (ngacang) putjes hangt af van het aantal resterende schelpjes van de eerste ronde, maar mogen nooit meer dan 3 putjes zijn. Enige verdeel putjes mogen als je erg weinig schelpjes na de eerste ronde hebt overgehouden leeg gelaten worden.
* Deze verdeel putjes worden in deze ronde van jouw tegenstander afgeschermd. Je tegenstander moet tijdens het “rondgaan” deze putjes overslaan en er dus geen schelpjes in gooien! Geen van de spelers mag schelpjes uit deze putjes pakken – maar jij mag wel schelpjes in je eigen verdeel putjes tijdens het met de klok mee rondgaan plaatsen. (Ngacang) Verdeel schelpjes zijn ook beschermd tegen tembak” (leeghalen) mocht je tegenstander met het plaatsen van de schelpjes in een leeg putje recht tegenover dit verdeel putje eindigen.
* Dit is een belangrijk strategische handicap, daar de speler die nog minstens één schelpje in zijn meest rechts gelegen putje heeft liggen, altijd de “jalan” (voortgang) aan zijn kant van het bord, kan vervolgen.
In de tweede en volgende ronden mag altijd diegene beginnen die in de vorige ronde het laatst door zijn schelpjes heen is.
Ngacang = verdelen; ronddelen. Ngacang putjes; de 2 x 7 putjes aan elke zijde van de dakon bak.
Het spel eindigt als één van de spelers helemaal geen schelpjes meer over heeft. In het geval beiden het spel tussentijds willen beëindigen is diegene die de meeste schelpjes over heeft, de winnaar.
Alhoewel het spel eenvoudig te spelen is, kan door ervaring een bepaalde strategie opgebouwd worden om min of meer zeker te zijn de overwinning te behalen. Denk aan schaken en dammen.
Dit spel heeft zij oorsprong in Afrika of de Arabische landen. In de Arabische landen onder de namen Mancala, in Afrika onder de naam Warri of Awari en Adi.